Verslag sessie Ruimtelijke ordening in Europees perspectief

Ruimtelijke ordening in Europees Perspectief

Op 24 mei 2013 organiseerde het PvdA Netwerk Ruimte een discussiebijeenkomst over Ruimtelijke ordening vanuit Europees perspectief. Tijdens deze avond discussieerden PvdA-delegatieleider in het Europees Parlement Thijs Berman, TU Delft hoogleraar Andreas Faludi en Louis Meuleman, secretaris van de Brusselse afdeling van de PvdA en ambtenaar bij de Europese Commissie, met elkaar en met de zaal over de rol van Europa bij ruimtelijke ordening in Nederland.

Introductie

Robert Wouters introduceerde de avond. Hij opende met de opmerking dat ruimtelijke ordening in beginsel geen bevoegdheid is van de Europese Unie. Dat betekent dat de Europese Commissie geen voorstellen op dit onderwerp mag doen. In de praktijk heeft Europa echter wél invloed op de ruimtelijke ordening in Nederland. Op het gebied van landbouw, biodiversiteit en territoriale cohesie zie je dat Europa toch (directe) invloed heeft op de inrichting van het grondgebruik in Nederland. Ook veel Europese milieuregelgeving heeft invloed op de ruimtelijke ordening van Nederland en de manier waarop ruimtelijke ontwikkeling tot stand komt.

Als doel van de avond stelde Wouters om te onderzoeken hoe Europa op het gebied van ruimtelijke ordening kan bijdragen aan de doelen van de Partij van de Arbeid in Nederland. Hoe staan de sociaal-democratische principes tegenover Europese invloed op ruimtelijke ordening? Waar kan Europa op het gebied van ruimtelijke ordening bijdragen  aan de maatschappij? Maar ook: waar staat Europa in de weg en wat willen we anders met Europa?

Presentatie Andreas Faludi

Kritiek op Europa

Als eerste kreeg Andreas Faludi het woord. Hij gaf een presentatie over de geschiedenis en de achterliggende principes van ruimtelijke ordening in Europees perspectief.
Allereerst stelde hij dat er grofweg twee posities ingenomen kunnen worden over Europa. Enerzijds is er complexiteit van het probleem dat naar het boek van Rob van Wijk (5 over 12), waarin twee stromingen herkenbaar zijn: die van de Internationalisten en die van de Neo-nationalisten. De Internationalisten herkennen de complexiteit van het probleem, maar misschien een heldere boodschap. De Neonationalisten zijn niet ideologisch, maar protectionistisch en willen behaalde welvaart binnen de natiestaat koste wat kost behouden. Gezocht is een aansprekend verhaal dat mensen verenigd in hun strijd om Nederland en de rest van de wereld/Europa aan te passen aan de nieuwe tijd.

De andere positie over Europa wordt geïllustreerd door Thierry Baudet. Baudet stelt de gebreken van de Europese democratie aan de orde. Democratie is gebonden aan een zekere territoriale loyaliteit. Om de Europese problemen aan te pakken is herbezinning nodig op de democratie in Europa en supranationalisme. Gezocht is een multicultureel nationalisme en soeverein kosmopolitisme dat in staat is grenzen te overstijgen.

Wat betreft de ruimtelijke dimensie geeft Faludi aan dat een deel van kritiek juist is: er is sprake van territorialiteit en container denken.

Geschiedenis

De Europese ruimtelijke planning is onder grote invloed van Jacques Delors tot stand gekomen. De gedachte was dat het cohesiebeleid voor regionale ontwikkeling een ruimtelijke dimensie nodig had. . Onder leiding van Nederlandse en Franse planologen en ondersteund door (de faciliteiten van) de Europese Commissie werd er in informele minsteriele bijeenkomsten op het gebied van ruimtelijke ordening gewerkt aan een Europees ruimtelijke ordeningsbeleid. Maar begin jaren ’90 keerde het tij in Europa. Tot die tijd werd alles dat er in Europees verband gebeurde goed bevonden. Nu begonnen lidstaten, onder leiding van Nederland en het Verenigd Koninkrijk, zich er op te beroepen dat ruimtelijke ordening geen competentie was van de Europese Commissie en zij zich daar dus niet mee bezig mocht houden. In 1999 werd zo de speciale commissie voor ruimtelijke ordening afgeschaft en werd het Europese ruimtelijk ontwikkelingsperspectief (het EROP) een informeel document dat enerzijds gemaakt is door de lidstaten van de EU en aan de andere is tegengehouden door diezelfde lidstaten. Het EROP had als doel territoriale en ruimtelijke integratie. Het EROP bevatte geen bindende regels over ruimtelijke ordening, maar sprak zich met 3 richtlijnen wel uit voor:  een polycentrische ontwikkeling van Europa, het verbeteren van de toegankelijkheid van kennis en infrastructuur en het beheer van erfgoed.  Ondanks dat het EROP geen succes te noemen is, zijn er wel processen in gang gezet, waar nu de vruchten van geplukt worden. Het was een startpunt voor transnationale planning en visievorming en heeft een boost gegeven aan grensoverschrijdende samenwerking.

Probleem met representatieve democratie

Faludi concludeert dat het politiek gezien nu erg lastig is om ruimtelijke ordening op Europees niveau op te pakken. Lidstaten bewaken sterk de competentiegrenzen van de Europese Commissie en gebruiken het subsidiariteitsbeginsel om discussie over Europese competenties in een vroeg stadium in de kiem te smoren. Anders gezegd is de territoriale democratie het kernprobleem voor Europese ruimtelijke planning. Wat overblijft is stimulering door middel van de structuurfondsen voor regionale ontwikkeling en het gebruiken van informele netwerken. Voor een sturend instrument zal de Europese democratie anders moeten worden ingericht.

Thijs Berman

Vervolgens kreeg Thijs Berman het woord. Hij stelde dat een visie voor de toekomst leidend moet zijn. We moeten bedenken waar we willen staan in 2030. Nederland en Europa moet al haar energie steken in het ontwikkelen van kennis, infrastructuur, natuur, duurzame energie, een sociale markteconomie en democratie.  Nederland moet hier haar kansen inzien. Onze democratie en ons poldermodel zijn goud waard. Deze moeten wij actief exporteren naar de andere landen van de EU.

Europa staat voor grote uitdagingen rondom doorgaande verstedelijking met tegelijkertijd grote krimpgebieden. Een krachtige en ambitieuze regionale ontwikkeling vindt Berman van belang om dit in goede banen te leiden. In de Europese Unie zijn goede voorbeelden te vinden van transnationale samenwerking voor het versterken van een regio (kennisnetwerken) en er is veel aandacht voor de gevolgen van krimp en vergrijzing. Het programma ‘Active healthy ageing’ richt zich bijvoorbeeld op het langer gezond thuis laten wonen van ouderen, zodat zij minder de dupe zijn van wegtrekkende voorzieningen.

Als het gaat om regionale ontwikkeling vanuit Europa moet er een balans gevonden worden tussen een participerende democratie, waarin mensen zich gehoord en gevolgd voelen, en een bestuur dat besluiten durft te nemen en stappen durft te zetten. Berman noemt Frankrijk als voorbeeld van besluitvorming als het gaat om de realisatie infrastructurele projecten. Het hiërarchische systeem van Frankrijk leent zich hier uitstekend voor, maar heeft natuurlijk democratische gebreken voor de lokale burger. Het is een groot verschil met de Nederlandse besluitvorming rondom infrastructuur, waar lokale belangen het proces aanzienlijk kunnen vertragen of zelfs stopzetten.

Berman benoemt het voeren van nationale en regionale politiek op Europese dossiers als een grote bedreiging. In Europa wordt op zeer democratische wijze besloten over gelden en besluitcriteria, maar politici laten zich bij het opstellen van criteria vaak leiden door belangen van de eigen lidstaat of regio. Criteria zijn daardoor vaak eerder wensenlijstjes dan kaders. Hoewel de Europese Commissie het zichzelf niet altijd makkelijk maakt, is het goed te beseffen dat het grootste gedeelte van de Commissievoorstellen ingegeven zijn door de lidstaten. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de verplichtstelling van een etiket op de flesjes olijfolie in restaurants. Natuurlijk is dit een onzalig plan en is het goed dat dit voorstel is ingetrokken, maar het is interessant om te weten dat dit voorstel voornamelijk is ingestoken door de olijfolie-producerende landen die goedkope namaak willen weren van de markt.

Berman stelt dat  als je op korte termijn voor het nationale belang kiest, dat je op langere termijn je nationale belang verkwanselt. Ook in Nederland is er groeiende scepsis over Europa en zie je protectionsme steeds meer de toon voeren. Thijs Berman is blij dat de Partij van de Arbeid bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen duidelijk koos voor een positieve kijk op Europa en ziet het als zijn verantwoordelijkheid het juiste verhaal over Europa uit te dragen.

Louis Meuleman

Ten slotte kreeg Louis Meuleman het woord. Hij gaf aan dat veel facetten van het beleid van de Europese Commissie gevolgen hebben op het gebied van ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld via Interreg-projecten, milieurichtlijnen (Habitatrichtlijn en Natura2000) en luchtkwaliteitsnormen. “Europa is een diamant met heel veel facetten, en die facetten hebben vaak een ruimtelijke component.”  Het subsidiariteitsbeginsel is van wezenlijk van belang. Niet om competenties koste wat kost bij de lidstaten te houden, maar om een permanente discussie te voeren over welke overheidslaag een bepaald probleem het beste aan kan maken. Voor ruimtelijke ordening is het volgens Meuleman nog maar de vraag of de Europese Unie meer competenties zou moeten krijgen.
Meuleman stelt dat de EU op het gebied van r.o. niet gebaat zou zijn bij meer juridische competenties op Europees niveau. Ruimtelijke ordening is namelijk per definitie multilevel en sterk lokaal en regionaal georganiseerd. Meuleman ziet veel meer in het stimuleren van ruimtelijke kwaliteit en een goede leefomgeving. Kortom de zachtere vormen van governance.
De Europese Commissie heeft goed door dat nationale overheden steeds meer overlaten aan de lagere overheden. De Commissie probeert daarom steeds meer zaken direct te doen met de regio’s en focus voor financiering te verleggen naar ruimtelijke projecten. Daarnaast probeert de Europese Commissie met uitgebreide impactassessments o.a. de ruimtelijke effecten in beeld te brengen. Met deze op kennis gebaseerde besluitvorming probeert de EU regio’s te ondersteunen bij hun economische uitdagingen en samenwerking te stimuleren.
Meuleman geeft aan dat we wel bewust moeten zijn dat de EU van oudsher een liberale visie heeft en altijd uit is gegaan van een sterk marktdenken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de dienstenrichtlijn dat vrije oprichting van diensten beschermd. Initiatieven zoals de ontwikkeling van outletcenters zijn een voorbeeld van Europese mogelijkheden voor schaalvergroting (en dus kostenbesparing), maar staan soms haaks op lokale belangen. Meuleman noemt een voorbeeld waarbij een Duitse stad de ontwikkeling van een outletcenter probeerde tegen te houden ter bescherming van de lokale middenstand. Over of de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen stad zou moeten starten, verschillen de verschillende Directoraten-Generaal van de Commissie van mening. Is de vrije markt, belangrijker dan het beschermen van lokale belangen? Een dergelijk project raakt al snel concrete stedelijke planningsvraagstukken en dan gaan de competentie- en subsidiariteitsbellen rinkelen. Meuleman is echter van mening dat het adviseren over goede ruimtelijk ordening is heel anders is dan de competentie van ruimtelijke ordening overnemen. De Europese Unie moet zich niet alleen bekommeren om de eigen competenties, maar de belangen van en de bevoegdheden van de lidstaten beschermen. Hierin ziet Meuleman ook een verhaal voor de Partij van de Arbeid. De PvdA moet opkomen voor het lokale MKB en de lokale economie en vitaliteit. Onderdeel daarvan is een Europa dat zich niet alleen bekommerd om de interne markt, maar ook oog heeft voor lokale effecten.
Op de vraag wat de EU van Nederland zou kunnen leren geeft Meuleman aan wij, net als met onze kennis over de watersector, onze kennis en kunde over ruimtelijke ordening zouden moeten exporteren. Het Europese model voor de compacte stad is in de basis het Nederlands model voor de stad. Daarnaast zijn wij als Nederland een goed voorbeeld van het terugdringen van administratieve lasten. Ook onze consensusstijl is iets om uit te dragen aan de EU als zijnde essentieel voor een goede ruimtelijke strategie.

Zelf zouden wij in Nederland veel kunnen leren van het Impact Assessment Systeem van de EU. Bij elk voorstel dat de Europese Commissie doet, wordt uitgebreid onderzocht wat de effecten zijn op het gebied van ruimte, sociaal, economisch, milieu. Geen enkel lidstaat onderzoek haar voorstellen zo zorgvuldig als de Europese Commissie dat doet. Een laatste punt wat Nederland kan leren van de Europese Commissie is dat het mogelijk is ruimtelijk beleid te voeren  zonder ruimtelijke instrumenten.

Wat willen we met Europa

Nadat deze sprekers vanuit de verschillende invalshoeken politiek, wetenschap en overheid vroeg Robert Wouters aandacht voor de oproep van Diederik Samsom over wat wij willen met Europa. Met de deadline gesteld op 28 mei komt deze discussieavond precies op tijd om ook vanuit het perspectief van ruimtelijke ordening antwoord te geven aan dat verzoek.

Allereerst wordt aangegeven dat je je juist op lokaal niveau met concrete projecten kunt laten zien wat de EU doet. Dat is zowel in het kader van de Europese als de gemeenteraadsverkiezingen van komend jaar iets waar we als PvdA – als Netwerk Ruimte in het bijzonder – mee aan de slag moeten. Europees geld aan lokale en regionale projecten betekent banen en turnover voor de lokale economie. Op dit moment laat Nederland erg veel geld uit Europese fondsen liggen. De PvdA moet zich sterk maken voor het versimpelen van de regelgeving, zodat het eenvoudiger wordt deze geldpotten aan te spreken.

Bediscussieerd wordt hoe je de sociaaleconomische samenhang tussen landen (rijkere versus armere) kunt stimuleren door middel via ruimtelijke ordening. Geconcludeerd wordt dat dat heel lastig is, maar door onze kennis van ruimtelijke ordening te exporteren kunnen we wel bijdragen aan de emancipatie van Europese burgers. Dat biedt ook kansen voor onze economie.

De ontwikkeling van de samenleving vereist wel een aanpak dan de grote uitbreidingsplannen waar Nederlandse steden groot mee geworden zijn. De netwerksamenleving vraagt een flexibele overheid, zowel de Europese als de Nederlandse. Dat vraagt een bottom-up benadering, via lokale en regionale samenwerkingsverbanden.

Het blijft belangrijk om ruimtelijke ordening op centraal niveau (en misschien wel Europees niveau) aan te pakken om r.o. op lokaal niveau te waarborgen. Niet via een juridische competentie van de EU, maar door stimulering van lokale projecten en het vastleggen en waarborgen van goede processen.

De Partij van de Arbeid moet zich altijd sterk blijven maken voor de primaire levensbehoeften van burgers in Nederland in Europa. Ruimtelijke ordening is daarin niet leidend, maar heeft genoeg aanknopingspunten waar de PvdA achter moet blijven staan. Een kwalitatief goede woning, een betaalbare energierekening, bereikbaarheid van voorzieningen en een gezonde en veilige leefomgeving zijn basisprincipes van de sociaaldemocratie.